Wie 54 jaar is, nadert een cruciaal moment. Uw wettelijk pensioen volstaat wellicht niet om uw levensstandaard te handhaven, en de fiscale klok tikt. Maar klopt het klassieke advies over pensioensparen en risicobeheer eigenlijk wel? En voor wie werkt het?
Het scharnierjaar: 55 als magische grens
In de wereld van pensioensparen geldt 55 jaar als een keerpunt. Niet omdat uw leven plots verandert, maar omdat de fiscale regels dat zeggen. Voor wie al jaren pensioenspaart, nadert de eindbelasting. Voor wie pas wil beginnen, slinken de voordelen. En voor uw beleggingsportefeuille luidt het advies: minder risico, meer zekerheid.
Klinkt logisch. Maar die logica veronderstelt dat u überhaupt al vermogen hebt opgebouwd – een aanname die voor veel Belgen niet opgaat.
De harde realiteit vooraf
Laten we eerlijk zijn: veel 55-plussers hebben geen substantiële beleggingsportefeuille om te herbalanceren. Ze hebben geen pensioenspaarfonds dat al decennia rendement genereert. Wat ze wél hebben: een afbetaalde of bijna afbetaalde woning, misschien wat spaargeld, en de vraag hoe ze na hun 65ste nog fatsoenlijk kunnen leven.
Voor die groep – en het is geen kleine groep – klinkt advies over optimale aandelen-obligatieverdelingen als praten over private jets tegen iemand die de bus niet kan betalen.
Pensioensparen: de klok tikt, maar voor wie loont het?
Pensioensparen biedt een fiscaal voordeel dat u niet moet laten liggen. In 2026 levert een storting tot 1.050 euro een belastingvermindering op van 30%. Stort u tussen 1.050 en 1.350 euro, dan zakt dat voordeel naar 25% – nog altijd aanzienlijk.
De eindbelasting: timing is alles
Hier wordt het ingewikkeld. Wie vóór zijn 55ste startte met pensioensparen, betaalt op zijn 60ste een eindbelasting van 8% (of 16,5% op zeer oude contracten). Daarna kunt u nog vijf jaar doorstorten met fiscaal voordeel, zonder extra eindbelasting. Dat is aantrekkelijk.
Maar wie pas op zijn 55ste of later begint, betaalt de eindbelasting pas op de tiende verjaardag van het contract. Probleem: fiscaal voordelig pensioensparen kan alleen tot het jaar waarin u 64 wordt. Wie dus op 55 start, heeft maar negen jaar waarin hij kan storten – en vervolgens wacht direct de eindbelasting.
De rekensom die niemand u vertelt
Laten we concreet rekenen. U start op 55, stort negen jaar lang 1.050 euro per jaar (het bedrag met 30% fiscaal voordeel). Dat is in totaal 9.450 euro gestort. U kreeg 2.835 euro fiscaal voordeel. Maar op uw 65ste betaalt u 8% eindbelasting op het volledige opgebouwde kapitaal – zeg, na enig rendement, zo’n 12.000 euro. Eindbelasting: 960 euro.
Netto fiscaal voordeel: 1.875 euro over negen jaar. Zeker niet niets, maar ook geen wondermiddel. En dit veronderstelt dat u negen jaar lang telkens 1.050 euro kunt missen – een luxe die niet iedereen heeft.
Voor wie pas op 60 of later begint, wordt het helemaal krap. Dan heeft u misschien vier jaar om te storten, waarna direct de eindbelasting volgt. Het fiscaal voordeel slinkt, de moeite ook.
De conclusie: start vroeg, of twijfel
Het advies “start met pensioensparen zodra u kunt” klopt dus wél. Maar dat “zodra u kunt” is voor velen de struikelblok. En wie het gemist heeft, kan zich afvragen of laat beginnen nog zin heeft – fiscaal gezien is het voordeel beperkt, al blijft het positief.
Beleggen vanaf 55: het dogma van risicovermindering
Het klassieke advies luidt: hoe ouder u wordt, hoe minder u in aandelen moet beleggen. De redenering: aandelen schommelen sterk, en u heeft geen tijd meer om verliezen uit te zitten. Obligaties zijn stabieler, dus veiliger.
De 100-minus-uw-leeftijd-formule
Er bestaat zelfs een simpele formule: trek uw leeftijd af van 100, en het resultaat is het percentage dat u in aandelen belegt. Bent u 55, dan wordt dat 45% aandelen, 55% obligaties. Op uw 70ste zou dat 30% aandelen zijn, op uw 80ste nog 20%.
Die formule heeft een zekere elegantie. Het probleem: ze dateert uit een tijd waarin obligaties substantieel rendement opleverden en mensen vroeger met pensioen gingen. Vandaag liggen obligatierendementen vaak laag, en u moet mogelijk langer van uw vermogen leven.
Wat als u juist meer risico nodig hebt?
Hier schuilt een paradox. Voor wie weinig vermogen heeft opgebouwd, kan het advies om “veilig” te beleggen contraproductief zijn. Stel dat u op uw 55ste 50.000 euro hebt gespaard. Belegt u dat conservatief met 45% aandelen, dan genereert u mogelijk 3-4% rendement per jaar. Over tien jaar wordt dat misschien 70.000 euro.
Maar hebt u eigenlijk 150.000 euro nodig om comfortabel te kunnen aanvullen op uw wettelijk pensioen? Dan helpt “veilig” beleggen u niet om die kloof te dichten. U hebt juist meer rendement nodig – en dus meer risico.
Dit is het vuile geheim van leeftijdsgericht beleggingsadvies: het werkt voor wie al genoeg heeft. Voor wie te weinig heeft, kan het juist verkeerd zijn.
Het tegenargument: schommelingen zijn echt
Natuurlijk is er een goede reden voor risicobeperking. In 2008 zagen beleggers hun portefeuilles met 40% krimpen. Wie net 65 was en zijn aandelen moest verkopen om te leven, had pech. Wie 45 was, kon wachten tot het herstel.
Maar wie op 55 in obligaties stapt omdat “dat veiliger is”, mist mogelijk jaren van herstel en groei. En obligaties zijn ook niet risicoloos – vraag maar aan wie Griekse staatsobligaties kocht in 2010.
De genuanceerde waarheid
Het advies om vanaf 55 uw risico te verminderen klopt – mits u al voldoende vermogen hebt om uw pensioendoelen te halen met conservatieve beleggingen. Voor wie te weinig heeft gespaard, is dat advies mogelijk een recept voor tekorten.
Wat wel werkt: maatwerk in plaats van formules
In plaats van blind een formule te volgen, zou u moeten vertrekken van uw werkelijke situatie:
- Hoeveel hebt u nodig na uw pensioen?
- Hoeveel hebt u nu?
- Hoe groot is de kloof?
- Hoeveel risico kunt u psychologisch aan?
Voor iemand met 200.000 euro gespaard die jaarlijks 10.000 euro extra nodig heeft, volstaat een conservatieve aanpak. Voor iemand met 40.000 euro die jaarlijks 15.000 euro tekort komt, is conservatief beleggen een garantie op problemen.
Wat niemand u vertelt: structurele problemen
Al dit advies gaat voorbij aan een fundamenteel probleem: veel Belgen bereiken hun 55ste zonder substantieel vermogen, niet omdat ze luiaard waren, maar omdat lonen stagnerend, woonkosten stegen, en onverwachte tegenvallers – een echtscheiding, langdurige ziekte, kinderen met problemen – hun spaarcapaciteit wegvraten.
Voor hen is het niet een kwestie van “juist beleggen” maar van “überhaupt kunnen sparen”. En daar helpt geen formule bij.
Pensioenarmoede als realiteit
Eén op de vijf 65-plussers in België leeft in of nabij armoede. Dat zijn geen mensen die verkeerd belegden. Dat zijn mensen die nooit de kans kregen vermogen op te bouwen. Voor hen klinkt advies over aandelen-obligatieverdelingen als hoon.
De conclusie: doe wat u kunt, niet wat u moet
Als u 54 bent en het pensioen nadert: bekijk uw financiën realistisch. Hebt u pensioenspaarcontracten lopen? Controleer wanneer de eindbelasting vervalt en of doorstorten nog loont. Hebt u beleggingen? Heroverwees het risico, maar doe dat op basis van uw werkelijke situatie, niet op basis van een generieke formule.
En vooral: voel u niet schuldig als u niet het ideaalplaatje bereikt. Dat ideaalplaatje is gebouwd voor een minderheid die het goed heeft gedaan. Voor de rest is het overleven, niet optimaliseren.
Het zou mooi zijn als het financiële advies dat erkende.





