Beleggen na je 60ste: wat werkt nog en wat niet meer?


Je pensioen nadert, of is al een feit. Het kapitaal dat je decennialang hebt opgebouwd, vraagt nu om andere keuzes dan vroeger. Minder risico nemen klinkt logisch — maar té voorzichtig zijn kost je ook geld. Wat zijn de slimste zetten op je 60ste, je 65ste en je 70ste?


Op je 60ste: afbouwen, maar niet stoppen

Wie jong is, kan klappen opvangen. Een dertiger die aandelen koopt en de beurs ziet kelderen, heeft de tijd om te wachten tot de markt herstelt. Op je 60ste is die luxe er nog deels, maar de horizon verkort zienderogen.

De vuistregel die financiële planners al decennialang hanteren, is eenvoudig: trek je leeftijd af van honderd, en dat is het percentage dat je nog in aandelen mag beleggen. Op je 60ste betekent dat 40 procent aandelen, 60 procent obligaties. Het is een grove richtlijn — geen wet — maar ze dwingt je wel tot nadenken over het risico dat je nog wil dragen.

Obligaties bieden meer zekerheid, maar ook minder rendement. Wie volledig uit aandelen stapt, ruilt volatiliteit in voor een gegarandeerd lager rendement. Dat is niet per se verstandig: een 60-jarige heeft statistisch gezien nog 20 à 25 jaar voor de boeg.

En het pensioensparen? Dat verdient een kritische blik.

Wie vóór zijn 55ste begon met pensioensparen, krijgt op zijn 60ste de eindbelasting gepresenteerd: 8 procent op de opgebouwde reserve (of 16,5 procent op stortingen van vóór 1993). Dat klinkt pijnlijk, maar daarna opent zich een interessant venster: vijf extra jaren storten met fiscaal voordeel, zonder nieuwe eindbelasting.

Wie pas op zijn 55ste of later met pensioensparen begint, betaalt de eindbelasting op de tiende verjaardag van het contract. Het fiscale voordeel — maximaal 30 procent op stortingen tot 1.020 euro, of 25 procent op stortingen tot 1.310 euro — loopt door tot het jaar waarin je 64 wordt. Daarna sluit het fiscale luik definitief.

De kritische noot: pensioensparen is fiscaal aantrekkelijk, maar de rendementen van pensioenspaarverzekeringen zijn de laatste jaren matig. Een pensioenspaarfonds biedt meer groeipotentieel, maar ook meer risico. Wie op zijn 60ste nog start met pensioensparen, haalt er fiscaal nog voordeel uit — maar verwacht geen wonderen van de opbrengst.


Op je 65ste: keuzes maken over uitbetaling

De wettelijke pensioenleeftijd stijgt stapsgewijs naar 67 jaar. Wie nu 65 is, ontvangt vanaf dat moment maandelijks zijn wettelijk pensioen. Tegelijk — en dat weten veel Belgen niet — wordt op datzelfde moment automatisch ook het aanvullend pensioen uitbetaald dat via de werkgever werd opgebouwd.

Voor dat aanvullend pensioen heb je een keuze: alles in één keer ontvangen, of kiezen voor een maandelijkse of jaarlijkse rente zolang je leeft. Die tweede optie wordt vaak onderschat. Wie lang leeft, haalt er meer uit. Wie vroeg sterft, minder. Het is een vorm van verzekering tegen een lang leven — en precies daarom de moeite waard om serieus te overwegen.

Voor de pensioenspaarverzekering geldt een vergelijkbare keuze: het geld valt vrij op je 65ste verjaardag, en kan in één som of als rente worden opgenomen. Het pensioenspaarfonds kent geen eindvervaldag — je kan het geld gespreid opnemen en de rest gewoon verder laten renderen. Dat is een onderschat voordeel van het fonds tegenover de verzekering.


Vanaf je 70ste: beleggen blijft noodzakelijk

Het grootste misverstand over pensioen? Dat je op een gegeven moment gewoon kunt stoppen met nadenken over je geld. Wie zijn pensioenuitkeringen braaf op een spaarrekening laat staan, verliest jaar na jaar koopkracht aan de inflatie.

Momenteel bedraagt de inflatie in België 1,45 procent — relatief laag. Maar wie de vorige jaren heeft meegemaakt, weet hoe snel dat kan veranderen. Spaarrekeningen met een minimumrente van 0,11 procent bieden geen bescherming tegen ook maar een lichte prijsstijging.

De logica blijft dus gelden: ook na je pensioen beleg je. Voorzichtig, ja. Met almaar meer obligaties naarmate je ouder wordt. Maar volledig stilzitten is geen optie. Hou een buffer aan die zes maanden aan vaste uitgaven dekt — dat is je veiligheidsmarge. De rest kan rendement genereren, zolang het risicoprofiel past bij je leeftijd en je gezondheid.

Wie op zijn 70ste nog 20 tot 25 jaar voor zich heeft — statistisch gezien niet onrealistisch — heeft de tijd om ook bescheiden beursschommelingen op te vangen. De fout is niet beleggen op hoge leeftijd. De fout is het verkeerde beleggen: te risicovol, zonder plan, of te inactief.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *